In de volksmond heeft men het bij “verpanden” vrijwel altijd over “pandhuispand” een bijzondere vorm van het “vuistpand”, wat weer een vorm is van het algemene “recht van pand”.  Het is een zakelijk zekerheidsrecht waarmee een roerende zaak bezwaard kan worden. (Klik hier voor een juridische begrippen lijst.)

Om de vraag eenvoudiger te beantwoorden kijken we eerst naar de plek waar meestal verpand wordt: Het pandjeshuis.

Het Pandjeshuis

Een pandjeshuis, ook wel lommerd genoemd is officieel een bank van lening; een kredietinstelling, waar leningen kunnen worden afgesloten tegen een onderpand van roerende goederen. Denk daarbij vooral aan sieraden, horloges, zilverwerk, antiek of andere voorwerpen van waarde.

Heel eenvoudig werkt verpanden als volgt. Iemand brengt een goed van waarde naar het pandjeshuis en krijgt daarvoor een geldbedrag en een contract of lommerdbriefje, waarop een beschrijving van het goed staat, het kredietbedrag, persoonsgegevens van de lener en de voorwaarden van de pandbelening. Over het geleende bedrag wordt net als bij een bancaire lening rente gevraagd. Over het algemeen wordt die rente berekend in procenten over het beleende bedrag per maand[1]. Deze rente wordt normaliter betaald aan het einde van de beleentermijn als de lener het goed komt terugkopen, of als de lener de termijn wil verlengen[2].

Voorbeeld

Stel, een man komt met een zware gouden ring bij een pandjeshuis. Hij wil €100,- lenen voor de ring. De medewerker van het pandjeshuis taxeert de ring en ziet dat de ring minimaal €100,- waard is. De medewerker stelt de identiteit van de man vast aan de hand van een geldig legitimatiebewijs, legt aan de man uit wat de voorwaarden zijn, laat de man het beleencontract tekenen en betaalt de man het volledige bedrag van €100,- uit en geeft hem het lommerdbriefje/contract mee.

Dit pandjeshuis werkt met pandbeleningen met een termijn van 2 maanden en een rente van 4,5% per maand.
Komt de man het goed binnen een maand ophalen, dan kost dit de man  €104,50, namelijk de geleende €100,-  én  € 4,50 rente. Haalt de man het goed pas op als de eerste maand is verstreken maar wel voor het verstrijken van de termijn van 2 maanden, dan dient de man €109,- te betalen; de geleende €100,- en 2x €4,50 rente.

Verlengen of her-belenen

Er zijn echter ook situaties denkbaar waarbij de beleentermijn van 2 maanden bijna verstreken is, maar de man de ring nog niet terug kan kopen, en de ring ook niet kwijt wil raken. Vaak is er dan de mogelijkheid om de beleentermijn te verlengen met nogmaals de oorspronkelijke beleentermijn van in dit geval 2 maanden. Bij de meeste pandjeshuizen wordt er dan wel van de klant verwacht dat hij of  zij in dat geval de rente over de eerste beleentermijn op het moment van verlengen voldoet. In dit voorbeeld zou de man dus €9,- moeten betalen om een nieuw contract af te sluiten voor wederom een termijn van 2 maanden. Over de nieuwe maanden moet uiteraard ook weer 4,5% rente per maand betaald worden.

Er is echter een significant verschil tussen verlengen en her-belenen: Bij verlengen blijven de voorwaarden/het bedrag van de belening ongewijzigd, terwijl bij her-belenen de waarde van het goed opnieuw wordt getaxeerd. Meestal daalt de waarde van het onderpand over tijd (slijtage/ouderdom/nieuwere modellen op de markt/uit de mode), waardoor er naar verloop van tijd minder voor hetzelfde goed geleend kan worden. Verlengen geeft de consument zo dus iets meer zekerheid dan her-belenen.  

[1] Per maand, omdat de gemiddelde looptijd van pandbeleningen met ca. 2 maanden veel korter is dan bij bancaire leningen.

[2] Het verlengen van de pandbelening/ het “her-belenen” van het contract, kan een uitkomst zijn als de lener niet de middelen heeft om het beleende goed terug te kopen. Door alleen de rentekosten van de oorspronkelijke beleentermijn te betalen, kan in de meeste gevallen de beleentermijn met een zelfde termijn verlengd worden.